Weten hoe: rake interventies
Rechters zetten in de praktijk verschillende interventies in om schikkingsmogelijkheden te verkennen en partijen te helpen tot een regeling te komen (schikkingsinterventies). Niet iedere interventie is even effectief.
Onderzoek van Van der Linden (2010) en Verschoof & Van Rossum (2018) biedt inzicht in welke interventies bijdragen aan schikkingsbereidheid, welke geen effect hebben en welke bijdragen aan ervaren dwang. In dit artikel bespreek ik de belangrijkste bevindingen uit deze onderzoeken. Ik volg daarbij het onderscheid van Verschoof & Van Rossum in procesinterventies, inhoudelijke interventies en conflictoplossingsinterventies.
Procesinterventies
Procesinterventies richten zich op het op gang brengen en houden van het schikkingsproces. Een voorbeeld is de vraag: “Wilt u praten over een regeling?” (Verschoof & Van Rossum 2018, p.26).
Schorsen
Een belangrijke procesinterventie is schorsen, want veelal vinden de schikkingsonderhandelingen op de gang plaats tijdens zo’n schorsing. Het vaakst worden schikkingen bereikt bij schorsingen die langer duren dan twintig minuten op de gang (Verschoof & Van Rossum 2018, p. 113). Dat is niet verrassend. Als partijen snel door hebben dat een schikking er niet in zit, dan duurt een schorsing doorgaans niet lang. Tegelijkertijd laat dit zien dat er voldoende tijd nodig is om schikkingsmogelijkheden te verkennen.
Verschoof & Van Rossum (p. 112) vonden geen statistisch significant verband tussen de hoeveelheid schorsingen en de uitkomst, maar wijzen erop dat het aantal zaken waarin meerdere keren geschorst werd klein was.
Hervattingsgesprek
Ook het hervattingsgesprek is een procesinterventie. Wanneer na de schorsing in de zittingszaal wordt doorgepraat over een regeling dan vergroot dat de kans op een schikking (Verschoof & Van Rossum 2018, p. 116).
Inhoudelijke interventies
Inhoudelijke interventies helpen partijen bij het bepalen van hun onderhandelingspositie of strategie, of kunnen invloed hebben op de inhoud van de onderhandelingen of het denken over een regeling (Verschoof & Van Rossum 2018, p. 26).
Voorlopig oordeel
In de literatuur worden verschillende soorten voorlopige oordelen onderscheiden. Van der Linden en Verschoof & Van Rossum onderzochten het effect van voorlopige oordelen. Ze onderscheidden voorlopige oordelen over:
- de bewijslastverdeling;
- de voorspelde uitkomst of kans van slagen van de bewijslevering;
- de juridische stellingen;
- het noemen van een range van bedragen waarbinnen geschikt zou kunnen worden;
- het noemen van een concreet bedrag waarop geschikt zou kunnen worden;
- het gedeeltijk toe- of afwijzen; en Het geheel toe- of afwijzen.
| Voorlopig oordeel | Verschoof & Van Rossum in welk % van de zittingen? | Van der Linden in welk % van de zittingen? |
| Bewijslastverdeling | 37 | 36,6 |
| Voorspelde uitkomst of kans van slagen bewijslevering | 8 | 21,3 |
| Juridische stellingen | 44 | 51,3 |
| Range van bedragen waarbinnen geschikt kan worden | 1 | 2 |
| Concreet bedrag waarop geschikt zou kunnen worden | 1 | 6,7 |
| Gedeeltelijk toe- afwijzen | 18 | 16,7 |
| Geheel toe- of afwijzen | 33 | 10,7 |
| Minstens een van de VO | 88 | 69,3 |
Effecten
Het deels toe- of afwijzen lijkt effect te hebben in de zin dat daardoor meer geschikt wordt, maar Verschoof & Van Rossum vonden het aantal zaken te klein om betrouwbare conclusies te trekken (p. 120). Voorlopige oordelen over de bewijslastverdeling leidden eveneens tot meer schikkingen (p. 120). De onderzoekers vonden geen verband tussen de uitkomst en voorlopige oordelen over juridische stellingen (p.119). Die lijken dus niet te helpen.
Het geheel toe- of afwijzen lijkt ook geen invloed te hebben (Verschoof & Van Rossum 2018, p.119-120). Verschoof & Van Rossum geven als mogelijke verklaringen:
- dat een dergelijk verstrekkend voorlopig oordeel schikkingsruimte wegneemt;
- dat een gevoel van gezichtsverlies belemmerend kan werken; en
- dat een partij in wiens nadeel een dergelijk voorlopig oordeel is, een vonnis verkiest om de mogelijkheid van hoger beroep te behouden (Verschoof & Van Rossum 2018, p. 121).
Beste Alternatief Zonder Overeenkomst (BAZO)
Van der Linden en Verschoof & Van Rossum onderzochten ook de effecten van het wijzen op het BAZO. Het BAZO is een term uit de onderhandelingstheorie en staat voor het beste alternatief zonder oplossing (of BATNA: Best Alternative To a Negotiated Agreement).
Het wijzen op het BAZO is partijen vertellen wat de gevolgen zijn als partijen er niet samen uitkomen. Dat kan door te wijzen op:
- tijd (‘het kan nog een hele tijd duren’);
- kosten (‘het gaat nog meer geld kosten’);
- psychische belasting (‘je bent niet van de stress af’);
- het procesrisico (‘het is onzeker wat er uit komt’); en
- de kans op hoger beroep.
Van der Linden noteerde dat in ruim 55% van de zaken op het BAZO werd gewezen, Verschoof & Van Rossum in 42%.
NB. De vraag is of de term BAZO juist gekozen is, want regelmatig wijzen rechters op het slechtste alternatief zonder oplossing (SAZO of WATNA: Worst Alternative To a Negotiated Agreement). Ik denk dat het goed zou zijn als rechters zouden wijzen op het realistisch alternatief (RAZO of RATNA).
NB2. Met het geven van een voorlopig oordeel wordt soms ook impliciet gewezen op het BAZO. Stel een rechter zegt dat het allemaal niet klip en klaar is en dat een partij bewijslast draagt van bepaalde stellingen. Dat is een voorlopig oordeel ten aanzien van de bewijslastverdeling. Maar partijen weten ook dat de zaak nog niet voor vonnis gereed is en dat er weer geïnvesteerd moet worden (tijd en geld).
Hoe vaak wezen rechters op het BAZO in de 100 door Verschoof & Van Rossum onderzochte zaken?
- Tijd: 28 zittingen.
- Kosten: 26 zittingen.
- Psychische belasting: 16 zittingen.
- Procesrisico (onzekere uitkomst): 38 zittingen.
- Kans op hoger beroep (voortgezet procesrisic0): 5 zittingen.
- Ander gevolg: 16 zittingen.
Effecten
Het wijzen op tijd en psychische belasting bij doorprocederen had weinig tot geen effect. Het wijzen op de kosten en het procesrisico had wel effect. Die interventies leiden tot een hoger schikkingspercentage. Het aantal keren dat op een ander gevolg werd verwezen was te klein om betrouwbare conclusies aan te verbinden.
Het eigen voorstel
Eigen voorstellen van rechters over de inhoud van schikkingen leiden tot meer schikkingen (Verschoof & Van Rossum 2018, p. 129-131). Die eigen voorstellen zijn er in verschillende varianten (tussen haakjes staat het aantal observaties dat Verschoof & Van Rossum deden):
- Specifiek eigen voorstel (36x).
- Middel het verschil (9x).
- Doe een concessie (8 x).
- Maak het af op het bedrag dat ik u noem (6x).
- Aanvaard het voorstel van de ander (2x).
Verschoof & Van Rossum concluderen dat eigen voorstellen schikkingsbevorderend zijn, maar niet duidelijk is welk type in welke mate (Verschoof & Van Rossum 2018, p. 131).
Dwang
Sinds het onderzoek van Van der Linden staan dwangschikkingen op de kaart. Maar die term lijkt niet juist, omdat dwang ook kan worden ervaren in zaken waarin partijen niet schikken. Onderzoek van Verschoof & Van Rossum bevestigde dit. Dwang wordt zelfs het meest ervaren in zaken waarin partijen niet schikken, maar doorprocederen. Het lijken met name de inhoudelijke interventies te zijn die tot ervaren dwang leiden (Verschoof & Van Rossum 2018, p. 256).
Het gaat mis als:
- rechters te lang op hetzelfde aambeeld blijven hameren;
- te snel naar de schikkingsfase overstappen; en/of
- eigen voorstellen stevig presenteren, maar onvoldoende uitleggen.
Conflictinterventies
Conflictinterventies gaan in op het onderliggend conflict (Verschoof & Van Rossum 2018, p. 25). Opmerkelijk is dat conflictinterventies en de uitkomst nauwelijks verband met elkaar hielden in het onderzoek van Verschoof & Van Rossum (2018, p. 148).
De diepgang van de conflictinterventies en de zittingsfase waarin deze werden verricht, waren volgens Verschoof & Van Rossum geen goede voorspellers van de uitkomst van de zitting (p. 141-148). De onderzoekers stelden dat in 50% van de gevallen waarin rechters niet ingingen op het onderliggend conflict, er wel degelijk iets speelde onder de oppervlakte.
Rechters die wel aandacht gaven aan een mogelijk onderliggend conflict, daar waar het er niet was, kregen heel weinig kritiek van partijen. Wel nam de door partijen ervaren (procedurele) rechtvaardigheid toe als de diepgang van de conflictinterventies toenam (marginaal statistisch verband; Verschoof & Van Rossum 2018, p. 279).
Verschoof & Van Rossum concludeerden dat rechters dit onderdeel van hun ambacht onvoldoende beheersen.
Mijn inschatting is dat rechters onder invloed van Maatschappelijk Effectieve Rechtspraak vaker conflictinterventies verrichten en er ook beter in worden. Rechters in opleiding worden er inmiddels in getraind.
Conclusie
De onderzoeken van Van der Linden en Verschoof & Van Rossum laten zien dat schikkingsinterventies een vast onderdeel vormen van de zittingspraktijk, maar dat de effectiviteit ervan uiteenloopt. Sommige interventies, zoals bepaalde voorlopige oordelen of het doen van een eigen voorstel, blijken in de praktijk schikkingsbevorderend. Andere interventies hebben geen aantoonbaar effect en kunnen onder omstandigheden zelfs leiden tot ervaren druk.
Opvallend is dat conflictinterventies hoewel zij weinig worden toegepast en vaak oppervlakkig blijven bijdragen aan de door partijen ervaren procedurele rechtvaardigheid.
In mijn onderzoek (Lieverse 2022) zag ik dat rechters hun interventies niet altijd goed afstemmen. Zo helpt bijvoorbeeld het wijzen op kosten van doorprocederen niet als partijen verzekerd zijn tegen diezelfde kosten. Uit het grote aantal observaties van Van der Linden en Verschoof & Van Rossum blijkt dat het zin kan hebben om een voorzichtig voorlopig oordeel te geven. Een te verstrekkend voorlopig oordeel heeft in de regel minder effect. Maar of dit in een gegeven geval is, is de vraag. Daarom is afstemmen op zijn minst zo belangrijk als weten wat in het algemeen helpt.
Literatuurverwijzingen
L. Lieverse, De gang op gestuurd. Een kwalitatief empirisch onderzoek naar het proces van schikken tijdens vermogensrechtelijke procedures in Nederland (diss. Universiteit Utrecht), 2022.
J. van der Linden, De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken (diss. Tilburg), Deventer: Wolters Kluwer 2010 (link).
R. J. Verschoof & W.M. Van Rossum, Geschikt of niet geschikt? Schikkingsgedrag van de civiele rechter en de invloed daarvan op partijen, Den Haag: Boom Juridisch 2018 (link).