Conflictoplossing: een nieuwe functie van de civielrechtelijke procedure?

Conflictoplossing, geschilbeslechting, Maatschappelijk Effectieve Rechtspraak Illustratie van advocate in gesprek met haar cliënten

Inleiding

Waartoe dient rechtspraak? De klassieke functies van rechtspraak zijn:[1] de rechtsverschaffingsfunctie, de bedreigingsfunctie, politionele functie, rechtsontwikkelingsfunctie en rechtseenheidsfunctie. Lees daarover deze blog.

Sinds 2016 staat het thema Maatschappelijk Effectieve Rechtspraak (MER) op de agenda van de Rechtspraak, de politiek en de wetenschap. MER is ontstaan uit de gedachte dat een juridische uitspraak partijen niet altijd verder brengt, en dat rechtszoekenden zoveel mogelijk geholpen moeten worden aan daadwerkelijk effectieve oplossingen.

De vraag is in hoeverre conflictoplossing (inmiddels) een functie is van burgerlijk procesrecht. Ik schreef dit artikel overigens over conflicten en conflictoplossing.

Conflictoplossing: de stand in de praktijk

Simon Thomas & Kosters stellen: 

“Het is een feit: de civiele rechter houdt zich steeds vaker bezig met conflictoplossing en bemiddeling naast geschilbeslechting. De klassieke taak van de rechter – het beslechten van een juridisch geschil – is aan het veranderen. Deze verandering wordt enerzijds bottom-up vanuit de rechtspraktijk vormgegeven, getuige de verschillende pilots en experimenten waarbij de rol van de rechter en die van bemiddelaar tot elkaar worden gebracht. Anderzijds wordt deze ontwikkeling top-down door de Raad voor de Rechtspraak opgelegd onder de paraplu van Maatschappelijk Effectieve Rechtspraak (MER).” [2]

De aandacht voor conflictoplossing[3] in rechte is de afgelopen jaren ontegenzeggelijk toegenomen[4], overigens niet alleen in Nederland.[5]  De overheidsrechter houdt zich ook volgens Akkermans steeds meer bezig met conflictoplossing naast geschilbeslechting: de klassieke taak van de civiele rechter om het geschil te beslechten is aan het veranderen. Finale geschilbeslechting zou het doel moeten zijn en daarvoor is aandacht nodig voor zowel de rechten en plichten van partijen als voor hun wensen, belangen en emoties.[6] Van Mourik spreekt van rolvermenging tussen de conflict oplossende en geschil beslechtende taken van de civiele rechter.[7] Die transformatie raakt de kern van rechtspraak. Waartoe dient rechtspraak eigenlijk? Juridische geschillen beslechten, conflicten oplossen of beide? 

Kritiek

Voorzichtigheid lijkt evenwel geboden. Dat rechters zich met conflictoplossing zouden moeten bezighouden én dat zij daarvoor de capaciteiten (zoals tijd, besef) en (mediationachtige) vaardigheden hebben is in de wetenschap omstreden.[8] Vranken & Snel zijn bijvoorbeeld kritisch: 

“Het verlangen naar probleemoplossing door de civiele rechter berust op wensdromen of, in de woorden van Jan Leijten[9], getuigt van een gevaarlijke arrogantie.” [10]

De kritiek kan worden samengevat als: rechters moeten het niet willen (normatief) en kúnnen het ook niet (empirisch).[11]

Normatief argument: Rechters zouden conflicten niet moeten wíllen oplossen

Hoewel de kritiek stevig is, is de vraag of die breed gedeeld wordt. Hoe wordt daarover in de praktijk gedacht? Daarover zijn geen empirische gegevens bekend. Tijdens mijn lezingen in het land voor rechters en advocaten krijg ik het beeld dat zij graag op zoek gaan naar daadwerkelijke oplossingen en bereid zijn om onder of achter het geschil te kijken. Ik hoor nooit dat zij het niet zouden moeten willen. Maar zij vragen zich wel af hoe je dat op de beste manier doet. 

Persoonlijk denk ik dat het – ook door de politieke steun en de focus van de Raad – een gelopen race is. Conflictoplossing past ook bij het tijdsgewricht. Mensen willen geen juridische uitkomst of een vonnis. De meeste mensen willen een probleem opgelost hebben en prettig samenleven, en de meeste juristen; advocaten en rechters zien het als hun nobele taak hen daarbij te helpen. Als je het probleem op een snellere, goedkopere, betere, eerlijker manier kunt oplossen, dan met een langdurige, kostbare, soms ziekmakende procedure, mag je dat niet nalaten.

Dat neemt niet weg dat geschilbeslechting bijzonder relevant is (gelet op de schaduwwerking en de klassieke functies), ook anno nu. Soms is er gewoon een vonnis nodig. Een vonnis kan ook het begin zijn van rechtvaardige vrede tussen conflictpartijen. Niets mis mee. Mijn adagium is dan ook: conflictoplossing als het kan, geschilbeslechting als het moet.[12]

Empirisch argument: Kunnen rechters conflicten niet oplossen?

Hoe zit het met het empirisch argument dat rechters het niet zouden kunnen (waarbij de vraag blijft of rechtsbijstandsverleners het kunnen)? Giesen stelt onder verwijzing naar onderzoek van Verschoof & Van Rossum dat onderzoek ook laat zien dat rechters niet zo goed zijn in conflictinterventies.[13] Het klopt dat Verschoof & Van Rossum vonden dat de conflictinterventies in aantallen en diepgang beperkt waren. Ze waren ‘afhoudend tot niet meer dan oppervlakkig’ en zij concludeerden: 

‘Ingaan op het conflict behoort blijkbaar nog niet erg tot de Nederlandse zittingscultuur en niet alle rechters beheersen het ambacht van het begeleiden van het gesprek over het conflict genoeg.[14]

Daar past een kanttekening bij: Verschoof & Van Rossum zeggen (toegegeven ietwat verscholen) dat hun veldwerk plaatsvond in de periode 2013-2015 (p. 360). Dat was dus (ruim) voordat de Raad voor de Rechtspraak inzette op MER. We zijn inmiddels een decennium verder, een decennium waarin nieuwe RIO’s worden opgeleid met vaardigheden om achterliggende belangen te achterhalen, met cursussen zittings- en schikkingsvaardigheden voor rechters, met talloze MER-pilots, breed uitgemeten, allemaal geboren uit dezelfde wens: effectieve oplossingen bieden, maar ook jaren met grote werkdruk, polarisatie en Corona. 

Ik vraag me af of (zoals met al het empirisch onderzoek) als je het onderzoek vandaag over zou doen, je dezelfde bevindingen doet. Ook al zou dat zo zijn, en zouden rechters conflicten niet goed kunnen uitdiepen, moet je er daarom maar vanaf zien? Nee. Verschoof & Van Rossum vonden namelijk ook dat de interventies van rechters die ingaan op een onderliggend conflict worden gewaardeerd door partijen die daarover willen praten (p. 323). Als rechters opzoek gingen naar een onderliggend conflict waar het er niet was, had dat geen negatieve gevolgen voor de ervaren procedurele rechtvaardigheid (p. 339).

Dat suggereert: als je afstemt en niet doordramt dan kan het geen enkele kwaad om te zoeken naar onderliggende belangen en conflicten. Het zal zelfs door een deel van de procesdeelnemers gewaardeerd worden. Dat we nog zoeken hoe je dat op een effectieve en op een voor alle procesdeelnemers aanvaardbare manier doet, doet daaraan geen afbreuk.

Conclusie

MER verandert het denken over de taak van de civiele rechter. Conflictoplossing wordt steeds vaker gezien als een relevant, zij het omstreden, doel. Die ontwikkeling raakt aan de kern van het rechtssysteem en rechtvaardigt kritische reflectie.

De normatieve kritiek dat rechters conflicten niet zouden moeten willen oplossen, overtuigt mij maar ten dele. Ik ben wel gevoelig voor het argument dat conflictoplossing en geschilbeslechting met elkaar kunnen schuren en dat de juridische procedure in het systeem van probleemoplossing een bijzondere rol speelt. Als mensen er samen niet uitkomen, kun je naar de rechter en hij hakt uiteindelijk de knoop door. In de rechtspraktijk ervaar ik onder rechters en advocaten die spreek evenwel een duidelijke bereidheid om verder te kijken dan het juridische geschil. Gegeven de maatschappelijke en institutionele steun voor MER lijkt conflictoplossing bovendien geen vrijblijvende optie meer, maar een onderdeel van hedendaagse rechtspraak.

Ook het empirische bezwaar dat rechters conflicten niet zouden kúnnen oplossen, verdient nuancering. Het beschikbare onderzoek laat zien dat conflictoplossende interventies beperkt en soms oppervlakkig waren, maar dat onderzoek dateert uit een periode vóór de brede inzet op MER. Bovendien wijzen dezelfde studies erop dat partijen die interventies kunnen waarderen en dat zij de ervaren procedurele rechtvaardigheid niet schaden.

Dat alles pleit voor een genuanceerde benadering. We moeten niet verwachten dat rechters alle problemen van mensen effectief en duurzaam kunnen oplossen en de vrede tussen conflictpartijen kunnen herstellen. Conflictoplossing is ontzettend moeilijk en de rechter is gebonden aan het recht en de spelregels en beperkingen van de procedure. Conflictoplossing is geen panacee. Geschilbeslechting blijft nodig en kerntaak. En dat we weinig empirisch bewijs hebben voor wat werkt (laat staan onder welke omstandigheden)15], betekent m.i. niet dat we maar van conflictoplossing af moeten. In tegendeel, ik ben voor het adagium: conflictoplossing waar het kan, geschilbeslechting waar het moet.

Redactionele toevoeging 25.2.2026
In de (niet afdwingbare) rechterscode staat:

“Op de zitting maken rechters de partijen duidelijk wat er gaat gebeuren. Zij behandelen alle betrokkenen met respect, geven de procesdeelnemers de gelegenheid hun standpunten toe te lichten en luisteren goed. Daarbij nemen zij een open en nieuwsgierige houding aan. Dat kan betekenen dat zij zich niet beperken tot de strikt juridische aspecten van een zaak, maar ook oog hebben voor de context van een geschil en de onderliggende belangen van de procespartijen.


Redactionele toevoeging 4.6.2026
De Groot schreef een lezenswaardig essay onder de titel Recht(spraak) en conflictoplossing als symbiose. Zij ziet rechtspraak als een door het recht genormeerde vorm van conflictoplossing’. Het essay staat vol mooie reflecties:

“Kennis over wat er kan, mag en moet aan conflictoplossing in rechtspraak is belangrijk voor het behouden en bevorderen van hoogwaardige rechtspraak die aansluit bij wat nodig is in de samenleving.”

“Voor mij leed en lijdt geen twijfel dat rechtspraak een vorm van conflictoplossing is.”

“Binnen zulke kaders behoren in een democratische rechtsstaat conflicten van mensen en organisaties in de leefsituatie aan de orde te kunnen komen in een zaak bij de rechter. De rechter kan bijdragen aan het beëindigen en oplossen van een (deel van een) conflict dat de vorm van een geschil of strafbaar feit heeft aangenomen.”

“Zo kan het begrip ‘Maatschappelijk effectieve rechtspraak’ niet zonder oog voor zowel conflictoplossing als geschilbeslechting betekenis krijgen.”


Literatuur

[1] Vgl. H.J. Snijders, C.J.M. Klaassen & G.J. Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2017. 

[2] M. Simon Thomas & E. Koster, ‘De rechter als bemiddelaar’, in: Dubelaar e.a., Conflictoplossing: het domein van rechters? Een vergelijkende studie naar rechterlijke en alternatieve conflictoplossing in verschillende rechtsgebieden, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 15-36. , p. 15.

[3] De klassieke functies van overheidsrechtspraak zijn gericht op geschilbeslechting, maar niet op het oplossen van (onderliggende) conflicten (vgl. bijv. de door Snijders, Klaassen & Meijer 2017, par. 1.2 genoemde functies). 

[4] Conflictoplossing is niet nieuw. Er is weliswaar meer aandacht voor, maar ik denk dat er de afgelopen decennia niet veel rechters zijn geweest die daar waar mogelijk hebben laten liggen om conflicten op te lossen. ‘Conflict oplossende instituties’ is een van de vijf speerpunten van het sectorplan rechtsgeleerdheid (https://sectorplanrechtsgeleerdheid.nl/speerpunten/conflict-oplossende-instituties).

[5] Zie bijv. voor Israël: M. Alberstein, ‘Judicial Conflict Resolution (JCR): A New Jurisprudence for an Emerging Judicial Practice’, Cardozo Journal for Conflict Resolution 2015; en voor Engeland: D. Richards, ‘Judicial conflict resolution in English courts. A preliminary overview’ (Report for the managing team of the Judicial Conflict Resolution (JCR) research project), 2016.   

[6] A. Akkermans, ‘Het geheel is meer dan de som der delen’, in: A. Akkermans, D. de Groot & B. Marseille, Het probleemoplossend vermogen van het rechtssysteem: Inleidingen op de Lustrumconferentie van het Netherlands Institute for Law & Governance Amsterdam november 2019, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2020, p. 14.

[7] J. van Mourik, Over bemiddelen en beslissen: het pleit beslecht. De bemiddelende rol van de civiele rechter in een efficiënte, effectieve en rechtvaardige procedure (masterscriptie Universiteit Utrecht), 2019, p. 25. 

[8] Voorstanders zijn bijvoorbeeld Suzan Verberk (zie bijv. S. Verberk, ‘Maatschappelijk Effectieve Rechtspraak: Probleemoplossing door de rechter?’, in A. Akkermans, D. de Groot & B. Marseille, Het probleemoplossend vermogen van het rechtssysteem: Inleidingen op de Lustrumconferentie van het Netherlands Institute for Law & Governance, Amsterdam, november 2019, Den Haag: Boom juridische uitgevers 2020. ), Dick Allewijn (zie bijv. D. Allewijn, ‘Naar een vredestichtende advocatuur’, in: A. Akkermans, D. de Groot & B. Marseille, Het probleemoplossend vermogen van het rechtssysteem: Inleidingen op de Lustrumconferentie van het Netherlands Institute for Law & Governance Amsterdam november 2019, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2020. ) en Rogier Hartendorp (zie bijv. R. Hartendorp, ‘Maatschappelijk effectieve rechtspraak: een synthese’, Recht der Werkelijkheid 2020 (41) 2, p. 61 ev. ). Er zijn tegenstanders en kritische geluiden van bijvoorbeeld Lieke Coenraad (zie L.M. Coenraad, ‘Het oplossen van problemen van rechtzoekenden en samenleving behoort niet tot het domein van de rechter’, Recht der Werkelijkheid 2017 (afl. 38) 2, p. 131-135. , p. 131-135); Margreet Ahsmann (zie M.J.A.M. Ahsmann, De weg van het civiele vonnis, Den Haag: Boom Juridisch 2020. M.J.A.M. Ahsmann, ‘De rechtsstaat en de toeslagenaffaire: over frames, feiten en recht(vaardigheid)’, Ars Aequi 2021 (3). ), Jan Vranken en Marnix Snel (zie: J. Vranken & M. Snel, De civiele rechter in Nederland op de schopstoel, Nederlands Juristenblad 2019, p. 687 ev.  ) en Albert Klijn (A. Klijn, ‘mE=rR2. Twee vliegen in één klap?’, Recht der Werkelijkheid 2020 (41) 2, p. 55 ev. ). Zie ook: Simon Thomas & Koster 2021, p. 30-34 (supra noot 2).

[9] Leijten was rechtsgeleerde en AG bij de Hoge Raad. Hij overleed in 2014.

[10] Vranken & Snel, supra noot 8, p. 865 (noot 8 voor volledige verwijzing).  

[11] Vergelijk ook: Asser Procesrecht/Giesen 1 2024/76.

[12] L. Lieverse, ‘Het kussen van de rechtspleging moet worden opgeklopt’, de Volkskrant 17 september 2020.  . 

[13] Giesen, supra noot 11.

[14] R. J. Verschoof & W.M. Van Rossum, Geschikt of niet geschikt? Schikkingsgedrag van de civiele rechter en de invloed daarvan op partijen, Den Haag: Boom Juridisch 2018, p. 343.

[15] M.J.A.M. Ahsmann, De regierol van de rechter. Naar harmonie tussen effectiviteit, efficiëntie en rechtvaardigheid, Deventer: Wolters Kluwer 2024, nr. 1863.